Van 14 maart t/m 7 juni 2026 is in Museum Tabakspeicher in het Duitse Nordhausen de schaaktentoonstelling ‘Schach durch Welten und Zeiten’ te zien. De tentoonstelling bevat met name een groot aantal bruiklenen uit verschillende historische perioden’ uit het (nog altijd gesloten) Schaakmuseum Ströbeck en uit het schaakmuseum Löberitz.
Te zien zijn diverse schaakspelen uit verschillende landen en perioden. Daaronder met name een groot aantal bruiklenen uit verschillende historische perioden’ uit het (nog altijd gesloten) Schaakmuseum Ströbeck en uit het schaakmuseum Löberitz.
Daarnaast bevat de tentoonstelling veel teksten op grote kartonnen borden. Dit begint met het ontstaan van het schaakspel met daarbij de beroemde legende van de graankorrels als beloning voor de uitvinder van het schaakspel, dan over de verspreiding van het schaakspel 1500 jaar geleden in Noord Indië en richt zich in het algemeen ‘diepgaand’ op de geschiedenis van het schaakspel. Ook behandeld worden beroemde citaten over het schaakspel. zoals deze: “het schaakspel is als een zee waarin een mug kan baden en een olifant kan verdrinken.“ Of ‘Schaken overtreft alle andere spellen in dezelfde mate als Chimborazo (berg in Zuid-Amerika) een mestvaalt overtreft.’ Deze laatste uitspraak wordt in de tentoonstelling toegeschreven aan de Duitse filosoof Arthur Schoppenhauer. Verder komen in deze tentoonstelling nog de spelregels en de vraag of het schaakspel sport, spel of kunst is, uitgebreid aan bod.
Centraal in de ruimte staat ook een schaakspel ingericht als de partij tussen Wolfgang Uhlmann en Wolfgang Unzicker, gespeeld op Schaak-olympiade Leipzig 1960, op het eerste bord in de ontmoeting Deutsche Democratrische Republik – Bundesrepublik Deutschland. De partij eindigde na 17 zetten in remise. En toen ik de tentoonstelling verliet stond de slotstelling van deze partij op het bord:
Het museum de Tabakspeicher (de tabaksschuur) werd in 1995 geopend in een oude tabaksschuur in Nordhausen. Het gebouw werd in 1712 gebouwd en diende in de 19e en begin 20e eeuw als opslagplaats voor ruwe tabak. Naast de tijdelijke tentoonstelling over de geschiedenis van het schaakspel, toont het museum op een oppervlakte van meer dan 1000 m2 de lokale geschiedenis van handwerk, handel, industrie alsmede de lokale archeologie.
Gedurende de periode van 14 maart t/m 7 juni zullen ook diverse schaaktoernooien, waaronder snelschaken, simultaanschaak, het Roland Kindertoernooi en meisjes-toernooien door de Schaakclub Nordhausen in en rond het museum Tabakspeicher georganiseerd worden. Bij de opening van de tentoonstelling werd reeds aangegeven, dat het niet onmogelijk is dat de tentoonstelling na 7 juni nog verlengd zal worden.
Poppenhuizen zijn altijd interessant om nader te bekijken. Zo kennen we het poppenhuis van Lita de Ranitz in het Haags Historisch museum met daarin een alleraardigst schaaktafeltje.
Op bezoek in het Frans Hals museum kwam ik een van de twee poppenhuizen tegen zoals ingericht door Sara Rothé (het andere poppenhuis staat in het Kunstmuseum in Den Haag). In de voorraadkamer, rechtsboven in het poppenhuis, hangt à la de ‘Victory Boogie Woogie’ van Rietveld een schaakbord aan de muur.
Ik heb nog gespeurd naar een doos met schaakstukken maar die niet kunnen ontdekken.
Het eerder genoemde poppenhuis van Sara Rothé in het Kunstmuseum in Den Haag heeft een schaakbord met stukken als poppenhuisvoorwerp. Zie voor een foto het artikel ‘tentoonstelling Erwin Olaf verlengd‘.
Uit de beschrijving bij het poppenhuis
Sara-Ploos van Amstel-Rothé (Amsterdam 1699 – Halfweg 1751) was een rijke dame voor wie dit poppenhuis een dure hobby was. Het poppenhuis werd niet gezien als speelgoed, maar werd gezien als een miniatuur museum. Het geeft een inkijkje in het huis van een zeer rijke familie in de achttiende eeuw. Sara Rothé was getrouwd met de steenrijke koopman Jacob Ploos van Amstel (1695 – 1760) en woonde aan de Keizersgracht in Amsterdam. In de zomer verbleven zij in de buitenplaats ‘Klein-Berkenrode’, vlakbij Haarlem aan Het Spaarne.
In 1743 kocht Sara Rothé drie poppenhuizen op een veiling. Deze waren zo’n 50 jaar eerder gemaakt door een andere rijke dame, Cornelia van der Gon (Haarlem 1644 – Amsterdam 1701). Ze werden omgebouwd tot twee nieuwe huizen waarvan er een in het Frans Hals museum staat en het andere huis staat in het Kunstmuseum in Den Haag.
De kamers werden nauwkeurig ingericht, waarbij alles zo echt mogelijk nagemaakt werd op schaal 1:10. De inboedel kent bijna 1000 voorwerpjes! Sara Rothé hield nauwkeurig bij wie welke voorwerpen maakten. De meubels, de schilderijen en het zilver werden door vaklui gemaakt die normaliter in het ‘groot’ werken. Sara richtte niet alleen het poppenhuis in, maar maakte zelf waarschijnlijk het naai- en borduurwerk.
Als er geen visite was om het poppenhuis te bewonderen, konden de deurtjes van het kabinet gesloten worden.
Eerdere artikelen In twee eerdere artikelen op onze site is aandacht besteed aan kunstenaar Guido van der Werve. In zijn film Nummer Twaalf speelt het schaakspel een belangrijke rol. In de door Guido gecomponeerde muziek zitten schaakzetten verweven die op de schaakpiano worden uitgevoerd. Zo draagt elke gespeelde schaakzet bij aan de compositie. Ik werd getriggerd door het zinnetje van Rob Spaans dat hij tot op heden de zetten van de betreffende partij nog niet had kunnen achterhalen. Die constatering was weliswaar al weer een lange tijd geleden, maar omdat ik op de site daar verder niets meer over kon vinden en ook een korte zoektocht in De Schaakkoeriers niet tot een resultaat leidde besloot ik op internet verder te zoeken.
YouTube Op YouTube kwam ik een video tegen waarin Guido van der Werve wordt geïnterviewd voorafgaande aan een integrale performance waar de door hem gecomponeerde muziek wordt uitgevoerd en hij zelf de witte stukken beroerd in de door Yudasin gecomponeerde partij als onderdeel van de muziek compositie uitgevoerd op de schaakpiano.
Zetten transcript op basis van video Dit was een mooie gelegenheid om de zetten van de partij te achterhalen. In de ‘video still’ die als foto is opgenomen bij dit artikel zie je de negende zet van zwart bovenaan de linker pagina van de op dat moment geopende partituur staan. Tot ongeveer zet veertig is alles goed te volgen. Daarna treden er wat haperingen op in het spel. Van de schakers wordt verwacht dat zij noten kunnen lezen zodat zij op het juiste moment het stuk op het bestemmingsveld kunnen laten neerdalen om de muzieknoot te laten klinken. Dat kunnen ze; maar toch ontstaat er onnauwkeurigheid.
Overzicht uitgevoerde foutieve zetten Hier een overzicht van de momenten waar het niet meer zo gladjes verloopt. Misschien heeft het met de losbladige partituur te maken (een verwijzing naar het iconische ‘de losbladige’!?) die op het juiste moment moet worden afgenomen om naar links te verplaatsen.
zet 41 van wit; wit speelt h4+ om die zet vervolgens terug te nemen gevolgd door de zet Ph1 [45.51]
na 41. Ph1 is het oog van de tegenstander zo lijkt het, ook van de partituur gedwaald; er wordt f5 gespeeld – de zwarte loper op f2 staat ‘en prise’. In de partij hieronder heb ik die zet vervangen door Lc5
wit houdt zich keurig aan wat aan het papier is toevertrouwd en speelt het moedige Kg3 en trotseert zomaar een ‘schaak’ van de loper op f2 [45.58]
zwart ziet dat de loper door de koning en het paard wordt ‘aangevallen’ en trekt het ongedekte stuk terug naar c5 (het veld dat ik ook gebruik om de partij te herstellen) [46.03]
in de herstelde partij laat ik de witte koning na 42. … h4+ naar f3 stappen
na h4 in de video; de zet zonder schaak, maakt de witte koning een sprongetje op f3 om daar keurig op terug te belanden – een mooi ’tempo’ zetje die ik in een partij ook wel een keer zou willen kunnen spelen. Het voordeel van dit zetje is wel dat alles (bijna) weer in het gareel loopt. Guido heeft dit keurig gezien. [46.17]
in de video wordt rond zet 50. … Ke6 gespeeld met een loper op d7 – in de herstelde partij heb ik de loper eerder op c6 (zet 44.) geplaatst [47.11]
Na 63. Kg2 speelt wit, zonder de zet van zwart af te wachten, Ph3 [49.03]
de spelers bestuderen de partituur – na de onverwachte paardzet van wit denkt zwart ‘maar wacht eens ik heb ook nog wat in petto’. Vertwijfeld, dat wel, wordt de zwarte koning op het veld geplaatst waarop de loper staat (f4) en de loper wordt diagonaal een veld naar achteren geschoven (e5) (Guido wijst met zijn vinger naar de bladzijde rechtsboven – daar zijn we) – OK; geen probleem – we spelen verder – wel wordt de zwarte koning nog even uit het schaak gehaald door de zet Ke3. Het netto resultaat is de zet Le5. [49.13]
ook zwart wil graag een tempozetje spelen en wipt op en neer met de loper op b3; wat wit kan kan zwart ook [49.29]
nadat de loper de pion op h6 heeft geslagen; wit loper b3 heeft gespeeld gevolgd door loper f8 van zwart wordt met de vinger veld h6 ingedrukt – de partituur voor alles! [51.03]
dan volgt kort daarop het onverwachte Lc6xf3 – zwart mept een eigen pion van het bord – bijzonder – er wordt stoïcijns doorgespeeld [51.16]
wit laat zich niet onbetuigd en laat op dit gesnaai het niet alledaagse Ld1-d7 volgen [51.21]
zwart speelt nog zijn loper naar e4 – ondertussen klinkt de A-klank, grondtoon door de violist in het orkest, de spelers beseffen dat het spel is afgelopen – in trance verzonken zo lijkt het, komen ze weer bij zinnen [51.24] – beide met de handpalmen naar boven – nog zen – op zoek naar de patstelling – beide beseffen dat er iets mis is gegaan maar kunnen nog wel een glimlach op het gezicht toveren
ik heb de partij hersteld zoals ik mij zou kunnen voorstellen dat het gespeeld had kunnen worden – leidend tot een patstelling. Ongetwijfeld is dit niet precies de partij die Yudasin heeft gecomponeerd. totdat de zetten boven tafel komen moet u het met deze ‘replica’ doen.
De partij zoals ik hem heb hersteld
Kort na publicatie van dit artikel kreeg ik een e-mail van onze voorzitter en redacteur, Henk Alberts. Hij heeft in 2022 tijdens een filmverslag van de uitvoering van de compositie van Guido van der Werve de partijzetten genoteerd zoals ze tijdens de partij in de film waren opgenomen en gepresenteerd werden aan de kijkers (rechts onderin het filmbeeld).
Op basis daarvan heb ik de laatste 15 zetten gereconstrueerd. Het patbeeld is natuurlijk fraaier dan in de versie hierboven. Het is wel zo dat zwart onderweg een paar kansen op groot voordeel heeft laten liggen.
Erwin Olaf, eigenlijk Erwin Olaf Springveld, (Hilversum, 2 juli 1959 – Groningen, 20 september 2023) is hot, zeker ook na zijn dood en daarom nu al weer de 3e grote tentoonstelling binnen 8 jaar. In Schaakkoerier 160 leest u over de dubbeltentoonstelling die van 16 februari 2018 t/m 12 mei 2019 t.g.v. zijn 60e verjaardag in het Gemeente-museum Den Haag en het naastgelegen Fotomuseum plaatsvond. En in Schaakkoerier 189 leest u over een kleine tentoonstelling ‘ter ere en herinnering’ die van 24 oktober 2023 t/m 10 maart 2024 in het Groninger Museum plaatsvond. En nu is er de tentoonstelling ’Erwin Olaf Freedom’ van 11 oktober 2025 t/m 1 maart 2026 in het Stedelijk museum in Amsterdam.
Wat valt er nog aan nieuws over Erwin Olaf te zeggen? Hij had tentoonstellingen in binnen- en buitenland, deed prestigieuze opdrachten als een portretreeks voor het Nederlands koningshuis. Een ‘kerncollectie’ van zijn werk, bijna 500 afdrukken, portfolio’s, video’s, magazines, boeken en posters is sinds mei 2018 – als zijnde nationaal erfgoed – in de collectie van het Rijksmuseum opgenomen.
Voor ons is belangrijk om te vermelden (herhalen) dat zijn internationale doorbraak zijn fotoserie Chessmen was, welke in 1987 voor het eerst in het in het Groninger museum te zien was. Het betreft een serie van vervreemdende zwart/wit foto’s waarin Erwin Olaf de 32 schaakstukken op zijn manier weergeeft middels fier poserende naaktmodellen met bizarre attributen. 6 van de 32 schaakstukken zijn nu in Amsterdam te zien.
Opvallend was ook dat er een rij stond voor het kunnen bezoeken van de tentoon-stelling. Mogelijk komt dat ook omdat de focus – meer dan in eerdere tentoonstellingen – ligt op zijn beginperiode als fotograaf voor blootbladen als de Nieuwe Revue en zijn homo-erotische foto’s in zijn rol als voorvechter voor homo-emancipatie. Ik kan hier in een keurig blad als de Schaakkoerier geen foto’s van laten zien.
Uiteraard bekeek ik ook de vaste collectie van het Stedelijk Museum. De ‘Minimum Chess Set’, zoals in 2017 door Rob Spaans in zijn boek beschreven is inmiddels niet meer te zien. Daarvoor in de plaats is er nu het schilderij ‘De Schaakspelers’ uit 1973 van de hand van Quintus Jan Telting. Olieverf op doek, verworven met de steun van de Vriendenloterij in 2020. Het werk hangt naast een ander werk van Quintus Jan Telting (Opus #1481 uit 1985) in een zaal met als thema Kunstenaars tussen culturen: ‘Veel kunstenaars hebben tijdelijk of langdurig op verschillende plekken in de wereld gewoond. Zij voelen zich verbonden met een mix aan culturen en dit is terug te zien in hun werk.’
Quintus Jan Telting werd in 1931 in Curaçao geboren als zoon van de kunstschilder Govert Jan Telting. Quintus Jan verliet Suriname op 16-jarige leeftijd als verstekeling. Van 1947 tot 1956 reisde hij als zeeman de wereld rond met als tussenstop een reis van anderhalf jaar door India. Vanaf 1956 studeerde hij 3 jaar aan het Muzieklyceum in Amsterdam. Daarna emigreerde hij naar de Verenigde Staten. Hij vestigde zich in New York, waar hij ’s nachts werkte en overdag schilderde. In 1970 keerde Quintus Jan Telting terug naar Amsterdam waar hij woonde en werkte tot aan zijn dood in 2003.
Van half december 2025 t/m 8 februari 2026 heeft Museum Belvédère een kleine tentoonstelling met zes bijzondere schaakspellen uit de eigen collectie. Daaronder het hiernaast afgebeelde schaakspel van Vilmos Huszár. Deze Hongaars-Nederlandse kunstenaar was een van de oprichters van de Stijl. De tentoonstelling wordt aangevuld met het van het Max Euwe Centrum geleende schaakbord, waarop Euwe in 1935 wereldkampioen werd.
Bij de tentoonstelling verschijnt een speciale schaakeditie van MB, het tijdschrift van het museum. Dit tijdschrift gaat over de relatie tussen kunst en denksport door de eeuwen heen. Daarnaast is er op zaterdag 20 december het eerste Belvédère Schaaktoernooi, waaraan 13 beeldende kunstenaars en één schrijver deelnemen. In de westvleugel van het museum strijden zij dan – tussen kunst en bezoekers – om de eerste, en wellicht enige, MB-Schaakbokaal.
Museum Belvédère Oranje Nassaulaan 12 Heerenveen-Oranjewoud
Dit jaar viert Amsterdam haar 750-jarig bestaan. Het leidt tot veel extra activiteiten in de stad, waaronder van 7 maart t/m 6 juli de tentoonstelling ‘De geboorte van de stad. Op zoek naar middeleeuws Amsterdam’ in het Stadsarchief Amsterdam. Deze tentoonstelling vertelt aan de hand van archeologische vondsten de oudste geschiedenis van de stad, nog zelfs voor de officiële geboortedatum van de stad, het door graaf Floris V uitgevaardigde tolprivilege van 27 oktober 1275.
In die tentoonstelling stond ook bijgaande schaakstuk, een Paard, gedateerd 1375-1425. “Dit schaakstuk, het paard, is gevonden tussen het afval van wachters van de Sint-Olofpoort, dat daar in de stadsgracht was gegooid, Been, 4 cm hoog.” Bij de tentoonstelling is ook een gelijknamig boek verschenen, waarin het schaakstuk ook is opgenomen.
Oplettende lezers zullen gezien hebben dat de tentoonstelling (6 juli) inmiddels allang is afgelopen. Maar toch is een groot deel van de tentoonstelling – waaronder het schaakpaard – in de tentoonstellingszaal van het museum blijven staan (tot in ieder geval het einde van dit jaar?!)
Gemeente Amsterdam Stadsarchief Adres: Vijzelstraat 32, Amsterdam Dinsdag t/m vrijdag van 10.00-17.00 uur, zaterdag en zondag van 12.00-17.00 uur.
Onder bovenstaande titel vindt er van 18 oktober 2025 t/m 22 februari 2026 een tentoonstelling plaats in het Mondriaanmuseum in Amersfoort. Als inleiding bij de tentoonstelling schrijft het museum: “Johannes Esser was een verwoed kunstverzamelaar. Maar wie was deze de man eigenlijk? Neem een kijkje in het leven van deze bijzondere persoonlijkheid, die ook naam maakte als plastisch chirurg, huisarts, ondernemer én Nederlands schaakkampioen.”
Een aanleiding voor de tentoonstelling is het feit dat het Mondriaanhuis in Amersfoort in 2022 uit de voormalige kunstcollectie van Johannes Esser negen vroege werken van Piet Mondriaan kocht. En een (mede) aanleiding voor de tentoonstelling is ongetwijfeld de in maart 2024 verschenen biografie ‘Ik wil koning zijn: de lotgevallen van het genie Johannes Esser’ geschreven door David de Poel. Deze David de Poel is getrouwd met een kleindochter van Jan Esser en had daarmee voor dit boek ook onbeperkt toegang tot de familie-archieven. In de recensies van het boek lezen we onder andere: “Dit is het verhaal van een man die op onvermoeibare wijze zijn droom najaagt: een zelfstandig grondgebied om alle patiënten die plastische chirurgie nodig hebben, ongeacht hun afkomst, te laten opereren door de allerbeste chirurgen op aarde. Om zijn doel te bereiken is geen moeite hem te veel. Hij reist de halve wereld over om medestanders voor zijn instituut te vinden. Die zijn er. Tegenstand is er ook. Maar Johannes is eraan gewend om te denken als een schaker en weet: de aanval is de beste verdediging.”
Maar wat waarschijnlijk heel weinig mensen zullen beseffen: dit is niet de eerste tentoonstelling over Esser. Want van 13 december 2005 t/m 28 april 2006 vond er in het Singermuseum in Laren de tentoonstelling “Mondriaan, Breitner, Sluijters e.a. De onstuitbare verzamelaar J.F.S. Esser” plaats. Wel typisch overigens dat de in 1946 overleden Esser in 2005 Jan Esser wordt genoemd, en nu 2025 Johannes Esser. Volgens diverse bronnen is het namelijk Johannes Fredericus Samuel Esser, roepnaam Jan.
Jan Esser wordt dus door Hans Ree (in het boek Schitterend Schaak) “de vergeten kampioen” genoemd. Immers is Esser maar liefst 2x Nederlands Kampioen geweest. In 1908 won Jan Esser ex aequo met M.F.S. Pape de eerste prijs in de hoofdgroep van de Bondswedstrijden in Haarlem. Dit toernooi werd in die tijd, toen er nog geen officieel kampioenschap bestond, als het onofficiële Nederlands kampioenschap beschouwd. En officieel Nederlands kampioen werd hij in 1913 door Rudolf Loman, de kampioen van 1912 in een match over maximaal zes partijen met 3,5-0,5 te verslaan. Verder speelde Esser vooral veel korte matches. Zo wist hij bijvoorbeeld in 1910 Yanowsky met 2-1 te verslaan. (Dezelfde Yanowsky die in die jaren een match tegen Lasker gelijk wist te spelen.) Maar een wereldtopper was Esser zeker ook niet. In Londen 1899 scoorde hij bijvoorbeeld slechts 4 uit 11, ver achter echte toppers als Marshall, Marco en Mieses. Maar ook als schaakorganisator was Esser zeer actief. Al in 1893 richtte hij in Leiden samen met een paar klasgenoten de schaakclub Morphy op. Van 1898 tot 1915 zat hij in de redactie van het Tijdschrift, orgaan van de Nederlandse Schaakbond. Hij was in 1908/1909 enkele maanden voorzitter van de Nederlandse Schaakbond. En in 1910 richtte hij de Amsterdamse Schaakclub Parkwijk op. Van 1909 tot 1913 verzorgde hij tenslotte ook nog de zaterdagse schaakrubriek van het Algemeen Handelsblad.
Na zijn studie medicijnen en tandheelkunde maakte Esser in de winter van 1903/1904 als schakend scheeps-arts een reis naar Zuid Amerika en de Verenigde Staten. Bijgaande foto is tijdens deze reis in 1904 in Caracas, Venezuela, genomen. De foto toont Esser als schakende scheepsarts. Deze foto was destijds in Laren en nu ook op de tentoonstelling in Amersfoort te zien.
Na zijn studie medicijnen en tandheelkunde maakte Esser in de winter van 1903/1904 als schakend scheeps-arts een reis naar Zuid Amerika en de Verenigde Staten. Bijgaande foto is tijdens deze reis in 1904 in Caracas, Venezuela, genomen. De foto toont Esser als schakende scheepsarts. Deze foto was destijds in Laren en nu ook op de tentoonstelling in Amersfoort te zien.
Esser werd terug in Nederland huisarts in Amsterdamse (1905-1913). Onder zijn patiënten telde hij mensen als Sluijters en Breitner, die hem zo weer introduceerden bij andere kunstenaars. In die periode bracht Esser meer dan 800 kunstwerken bij elkaar. ‘Uit de eerste hand’ kocht hij werken van jonge, nog onbekende ‘ultra-moderne’ kunstenaars als Jan Sluijters, Leo Gestel, Piet Mondriaan en Piet van der Hem. Esser steunde ze en zorgde ook voor naamsbekendheid. Hij wordt beschouwd als de eerste serieuze Mondriaan-verzamelaar.
Later, na zijn werk bij het front in de eerste Wereldoorlog, had Esser als droom het realiseren van een onafhankelijke chirurgische vrijstaat waar plastische chirurgie voor iedereen beschikbaar zou zijn. Daartoe reisde hij vrijwel onafgebroken heel Europa door en kreeg hij steunbetuigingen van onafzienbare reeks invloedrijke personen, zoals Mussolini, Franco, Salazar, Koningin Wilhelmina en Koning George van Griekenland. Die vrijstaat was ook bijna een feit geworden toen Esser in 1937 een Grieks eiland ter beschikking werd gesteld. Door eigen toedoen werd de droom echter geen werkelijkheid daar Esser totale onafhankelijkheid eiste en niet toestond dat er twee Grieks politieagenten op het eiland werden gestationeerd voor de openbare orde.
Verder info: Mondriaanhuis, Kortegracht 11 Amersfoort Open: dinsdag t/m zondag van 10 tot 17 uur en in schoolvakanties ook op de maandag
Voor een portret van Esser – met de nodige aandacht voor zijn schaakcarriere ondermeer middels intervieuws met Hans Ree – zie de uitzending ‘Ik wil Koning zijn‘ uit december 2005 in de Schatkamer van Beeld en Geluid
Voor een aanvullend audiofragment uit met het oog op morgen luister naar.
De in Moskou geboren Wassily Kandinsky (16 december 1866 – 13 december 1944) was oorspronkelijk jurist aan de Universiteit van Moskou. In 1896 vertrok hij naar München waar hij kunstschilder en graficus werd, alsmede de medeoprichter van verschillende kunstenaarsgroepen. Na de Eerste Wereldoorlog werd hij in 1922 professor bij Bauhaus, eerst in Weimar, later in Dessau. In 1928 verkreeg hij de Duitse nationaliteit.
Maar de Nazi’s hadden het niet zo op abstracte kunst en op het rebelse karakter van het Bauhaus. Daarom werd het Bauhaus in 1932 gedwongen om van Dessau naar Berlijn te verhuizen en werd het vervolgens in 1933 door de Gestapo gesloten. Prominente leden als Kandinsky en Paul Klee (waarvan we het schilderij Uberschach kennen) moesten het land verlaten. Kandinsky vertrok in 1933 met zijn 2e vrouw Nina naar Parijs, waar hij de Franse nationaliteit aannam en waar hij in 1944 in Neuilly-sur-Seine overleed.
Een groot deel van Wassily Kandinsky zijn schilderijen kwamen uiteindelijk in het Centre Pompidou in Parijs terecht. Dit dankzij de weduwe van de kunstenaar, Nina Kandinsky (1896-1980). Zij was goed bevriend met Claude Pompidou, echtgenote van de Franse president. Al tijdens haar leven schonk zij een groot aantal kunstwerken aan de Franse staat. En na haar overlijden kwam daar nog een groot legaat bij, welke naast werken ook de inboedel van Kandinsky zijn atelier en zijn archief bevatte.
Wij kennen Kandinsky vooral van een aantal (abstracte) schaakschilderijen, zoals: – Komposition mit Schachbrettstreifen, Aus der Folge Kleine Welten IV (1922) – Orange – Komposition mit Schachbrett (1923) – Trente (30) – Abstractes Schachbrett (1937)
Van woensdag 19 juni t/m zondag 10 november 2024 zijn ruim 60 schilderijen, alsmede video’s en muziek, van het Centre Pompidou in het nieuwe H’ART Museum te zien.
Koning Willem-Alexander opende deze eerste tentoonstelling van het nieuwe H’ART Museum Amsterdam (voorheen Hermitage Amsterdam). Na de Russische inval in Oekraïne in februari 2022 heeft Museum Hermitage Amsterdam de samenwerking met de Hermitage in St. Petersburg verbroken, alsmede heeft zij een nieuwe naam aangenomen. Het nieuwe H’ART Museum Amsterdam is na het verbreken van de banden met de Hermitage in Rusland een samenwerkingsverband aangegaan met het British Museum in Londen, met Centre Pompidou in Parijs en het Smithsonian American Art Museum (SAAM) in Washington D.C. De tentoonstelling over Kandinsky is een eerste resultaat van deze samenwerking.
De Kandinsky tentoonstelling wordt gezien als een spetterende heropening van het H’ART Museum, omdat Wassily Kandinsky beschouwd wordt als een van de grootste pioniers van de abstracte kunst. En voor wie de indeling van de zalen van het H’ART Museum een beetje kent: de topwerken krijgen alle ruimte in de grote zaal van het museum. Maar daarnaast is er ook een abstracte compositie op de vloer uitgevoerd, welke vooral vanaf de balkons op de 1e verdieping mooi zichtbaar is. Een museumzaal als een canvas met kleurvlakken op de grond en muren als zwarte lijnen.
De tentoonstelling is chronologisch ingedeeld. De schilderijen van Kandinsky tonen zijn liefde voor kleur. Maar in de laatste zalen worden de werken steeds geometrischer en krijgen lijnen een steeds prominentere rol. Daarnaast geeft kunstenaar Bink van Vollenhoven op verschillende momenten in de tentoonstelling Kandinsky via video’s een stem. En een van de absolute hoogtepunten in de tentoonstelling is een reproductie van de grote Salon. Deze Salon maakte Kandinsky 1922 samen met een groep Bauhaus-studenten. De oorspronkelijke versie ging in de Tweede Wereldoorlog verloren, maar onder toeziend oog van Nina Kandinsky, zijn tweede vrouw, werd door Franse studenten voor de opening van het Centre Pompidou in 1977 een tweede editie gemaakt. Deze is nu opgebouwd in Amsterdam.
Kandinsky heeft in zijn abstracte werken heel veel met zwart-wit-geblokte vlakken gewerkt. Soms werd dit beschouwd als een schaakbord, soms ook niet en wat De kunstenaar zelf bedoeld heeft (als dat al de doorslaggevende factor is) weten we maar zelden. Wel helder is het als de kunstenaar in de naam van het schilderij een verwijzing naar het schaakspel opneemt (zoals bij de drie op de vorige pagina getoonde werken).
Het is niet zeker of een van deze werken in het H’ART Museum getoond wordt. In ieder geval is het schilderij ‘Auf Weiss II’ (1923) met een aantal kleinere zwart-wit-geblokte vlakken in Amsterdam aanwezig.